4 Fraudesignalering / Signaaluitvalrisico
Om fraude te kunnen bestrijden, moeten gevallen van fraude uiteraard eerst aan het licht komen en bekend raken bij degenen die actie kunnen ondernemen.
Soms is er geen signaal van fraude, bijvoorbeeld door samenspanning, of doordat de fraudeur in de positie is dat hij signalen kan camoufleren of afschermen. Onderzoek wijst echter uit dat er in veel gevallen wel signalen zijn, maar dat deze om één of andere reden niet tot actie leiden. Het risico daarop noemen we het “signaaluitvalrisico”. We onderscheiden drie fasen die doorlopen moeten worden om ervoor te zorgen dat een fraudesignaal de aandacht krijgt die nodig is:
- Opmerken fraudesignalen (zie 4.1)
- Melden fraudesignalen (zie 4.2)
- Oppakken fraudesignalen (zie 4.3)
In elk van deze drie fasen kan er wat misgaan, wat ‘uitval’ van signalen betekent.
Bij nadere analyse van het ‘uitvalrisico’ blijkt dat drie factoren:Systeem/werkomstandigheden, (Omgevings)druk en Persoonlijke afweging bepalen of een signaal ‘doorkomt’ of ‘uitvalt’.
Onder Systeem/werkomstandigheden verstaan we de (werk)omstandigheden die bepalen of een fraudesignaal zichtbaar is voor de omgeving of niet. De omstandigheden bestaan zowel uit organisatiefactoren (bijvoorbeeld de organisatiestructuur en administratieve organisatie) als menselijke factoren, zoals loyaliteit en voorbeeldgedrag.
(Omgevings)druk houdt bijvoorbeeld verband met de focus van de organisatie, of de sociale omgeving daarvan, op resultaten. De (omgevings)druk bepaalt het relatieve belang dat actoren hechten aan integer opereren.
Met Persoonlijke afweging bedoelen we het proces waarbij actoren de voor- en nadelen van verschillende mogelijke acties (al dan niet melden of het signaal oppakken) afwegen. Hierbij spelen persoonlijke belangen een rol, maar ook de belangen van de organisatie en de omgeving.
|