3.2 Kwetsbaarheidverhogende factoren
Voor een organisatie kunnen, naast de inherente kwetsbaarheid van de kenmerkende processen, bijzondere factoren spelen die de kwetsbaarheid voor fraude en andere integriteitsinbreuken verhogen. De belangrijkste factoren kunnen in de volgende vijf clusters worden samengevat. Daarbij is een korte toelichting gegeven op het cluster en is een aantal aansprekende voorbeelden genoemd.
Door te klikken op het schaartje neemt u de geselecteerde tekst op in uw rapport
3.2.1 Complexiteit
Door ingewikkelde structuren binnen een organisatie kunnen gelegenheden voor fraude ontstaan. Voor een organisatie is dit vaak niet te voorkomen; denk bijvoorbeeld aan de uitvoering van ingewikkelde wetgeving. Soms creëert het management van een organisatie zelf onnodige complexiteit door overdreven bureaucratische procedures bijvoorbeeld. Frauderisico’s kunnen ook voortkomen uit ingewikkelde relaties met (keten)partners en/of hogere bestuurslagen en toezichthouders.
Voorbeelden:
- Innovatie/geavanceerde systemen (ICT)
- Ingewikkelde regelgeving
- Constructies (juridisch/fiscaal)
- Relatienetwerken/werken in keten
- (Onnodige) tussenschakels (eventueel via het buitenland)
- Vermenging publiek-privaat (commercie/concurrentie)
- Sturing/toezichtsrelaties
3.2.2 Verandering / dynamiek
Veranderingen in een organisatie of in de omgeving van een organisatie kunnen leiden tot instabiliteit. Evenals bij de factor complexiteit kunnen daardoor gelegenheden voor fraude ontstaan. Soms geven veranderingen aanleiding tot onzekerheid en frustratie onder personeel, waarin een motief of rationalisatie van fraude kan liggen. Dynamiek in de omgeving kan ook tot een lastig te beheersen druk op de organisatie leiden. Dit kan ertoe leiden dat op oneigenlijke wijze wordt getracht om aan deze druk het hoofd te bieden.
Voorbeelden:
- Jonge organisatie
- Sterke groei/krimp
- Trendafwijkingen
- Reorganisaties
- Verzelfstandiging/privatisering
- Instabiliteit (toe- en uittreding; kortdurende verbanden)
- Crisis (sanering, bedreiging voortbestaan organisatie/functie)
- Externe druk (prestatiedruk, bestedingsdruk, tijdsdruk, bestuurlijke/politieke druk)
- Irrealistische externe verwachtingen
3.2.3 ManagementDe houding en het gedrag van het management (‘tone at the top’) kunnen, mede door de invloed op de cultuur van de organisatie, kwetsbaarheidverhogend zijn, als niet het goede voorbeeld wordt gegeven. Bovendien kan daardoor de weerbaarheid van de organisatie verminderen, omdat beheersmaatregelen niet de nodige aandacht krijgen. Het gedrag van management wordt onder andere beïnvloed door factoren waarop managers worden ‘afgerekend’. Als de beloning van management sterk afhankelijk is gemaakt van bepaalde prestatie-indicatoren, zal de verleiding kunnen ontstaan om op frauduleuze wijze aan deze ‘targets’ te voldoen. Voorbeelden: - Dominante/autoritaire houding
- Manipulatief gedrag
- Formeel/bureaucratisch gedrag
- Solistisch optreden
- Ruime discretionaire bevoegdheden
- Beloning sterk afhankelijk van prestaties
- Geen aandacht voor ‘ethisch leiderschap’ (voorbeeldrol)
- Geen verantwoording (willen) afleggen
- Negeren adviezen/signalen
- Weigeren medewerking aan of traineren van onderzoek
- Weigeren correcties aan te brengen
- Defensieve reactie op kritiek/klachten
3.2.4 Personeel (omgeving / loyaliteit en individueel)
Diverse omstandigheden geven personeel, (ambtenaren/medewerkers) gelegenheid of motieven voor fraude. Dit kunnen omstandigheden zijn binnen de organisatie die een negatieve uitwerking hebben op de loyaliteit van personeel (zoals beperkte loopbaanperspectieven), maar ook individuele omstandigheden die op zich los staan van de organisatie. Deze laatste categorie factoren is voor (managers in) de organisatie moeilijk te achterhalen. Het komt echter geregeld voor dat er in de directe omgeving van een personeelslid wel verschijnselen zijn waar te nemen die kunnen wijzen op een mogelijke verslaving, buitensporige leefstijl etc.
Voorbeelden:
Omgeving/loyaliteit
- Prestatiedruk/beloning sterk afhankelijk van prestaties
- Geringe status/gebrek aan erkenning
- Lage beloning/matige arbeidsvoorwaarden
- Loopbaanperspectieven beperkt
- Veel tijdelijke contracten
- Slechte sfeer (indicaties: hoog verloop, ziekteverzuim, enzovoort)
- Onrechtvaardig(e) (geachte) regelgeving
- Zwakke sociale binding/ geringe sociale controle (geen afschrikking)
- Geringe mobiliteit
- Nauwelijks of geen functiewisselingen
- Hindermacht
Individueel
- Persoonlijke schulden
- Leefstijl (buitensporig bestedingspatroon)
- Persoonlijke geheimen (chantabel zijn)
- Bedreiging persoonlijke veiligheid
- Verslaving (alcohol, drugs, gokken)
3.2.5 Probleemhistorie
Het gegeven dat een organisatie een probleemhistorie heeft, blijkt een risicoverhogende factor te zijn. Relatief vaak doen zich in dergelijke organisaties opnieuw problemen voor.
Voorbeelden:
- Klachten
- Roddels en verhalen
- Meldingen/klokkenluiders
- Eerdere incidenten (recidive)
- Ex-fraudeurs (met zwakke binding in sociale omgeving)
- (Doorstart na) faillissement
- Administratieve problemen (achterstanden, inconsistenties)
|